Producten > Industrie-, utiliteitsbouw en openbare gebouwen > Vetafscheiders > Algemeen > Inbouwtips
  INBOUWTIPS
Afvalwater van vetten en oliën ontdoen 

Installatieruimte

De installatieruimte dient afsluitbaar, droog en vorstvrij te zijn en is voorzien van een werkende beluchting en ontluchting

De vetafscheider moet op een vlakke ondergrond worden opgesteld.

Rondom de vetafscheider dient er een beweegruimte van 0,5 m te zijn om onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.

Tevens dient er in het lokaal een afvoerputje en dienstkraantje te worden voorzien.


Aanleggen toevoerleiding

Toevoerleidingen vereisen een zorgvuldige uitvoering en aanleg, aangezien reeds hier het afscheidingsrendement positief of negatief beïnvloed kan worden. Zo dienen verticale toevoerleidingen ter hoogte van de overgang naar de horizontale leiding als volgt worden aangelegd om ontoelaatbare wervelingen van het afvalwater en de vetbestanddelen te voorkomen.
De verticale valleiding mag niet aangesloten worden op een bocht van 90°, doch dient via een bocht van 45°, een recht buisstuk van minstens 250 mm of meer en opnieuw een bocht van 45° aangesloten te worden.
De horizontale buisleiding aan de toevoer van de vetafscheider moet minstens 10 x DN meter lang zijn (d.w.z. voor DN 100 = 1 m, DN 150 = 1,50 m). De toevoerleiding dient onder een helling van min 2 % te worden gelegd.

Leidingisolatie

Bij het aanleggen van de toevoerleiding door onverwarmde of vrij toegankelijke ruimten met vorstgevaar, moet dit leidinggedeelte van isolatie of zelfs van een extra buisverwarmingssysteem voorzien worden (bv. tracing met thermostaat of zelfregelende verwarmingsbanden en isolatie).
Het beste afscheidingsrendement wordt behaald als het afvalwater in de afscheider een temperatuur heeft van ca. 40°.

Monstername

Achter de vetafscheider dient er een monsternamevoorziening te worden geplaatst, ter controle van de grenswaarden van het afvalwater. Inbouw volgens EN 1825-2.
Bemonsteringsbuizen hebben een inwendig verval van minstens 160 mm. Enkel bij deze uitvoering is een correcte en veilige bemonstering mogelijk, met de aanbevolen wijdmondse fles, door de officiële instantie.

Beluchtingsaansluiting

De toevoer- en afvoerleidingen van vetafscheidingsinstallaties moeten voldoende worden ontlucht. Daarom moet de toevoerleiding worden voorzien van een beluchtingsleiding tot boven het dak (Fragment uit EN 1825-2).

Ook alle overige horizontale aansluitleidingen (naar de toevoerleiding toe) langer dan 5 m, moeten via het dak worden ontlucht.

Reservoirbeluchting

Wanneer de toevoerleiding langer is dan 10 m en geen andere bijkomende ontluchte aansluitleidingen heeft, moet de toevoerleiding in de onmiddellijke nabijheid van de toevoer van de afscheider worden voorzien van een bijkomende beluchtingsleiding via het dak (Fragment uit EN  1825-2).

In plaats van een bijkomende aansluiting in de toevoerleiding kan hiervoor het aansluitstuk in de bovenplaat van de afscheider (bij alle types) worden gebruikt.
Vetafscheidingsinstallaties moeten afzonderlijk via het dak worden ontlucht (Fragment uit DIN 1986-100).

Hevelinstallatie

‘Vetafscheidingsinstallaties waarvan de rustwaterspiegel onder het terugstuwniveau ligt (15 cm boven straatpeil, zie EN 752-1) moeten via een nageschakelde hevelinstallatie worden ontwaterd’ (Fragment uit EN 1825-2, punt 7.3).

Bij de keuze van de hevelinstallatie dient men erop te letten dat een dubbele hevelinstallatie wordt ingebouwd (verplicht in industriële en bedrijfstoepassingen), zodat bij uitval van een pomp een ononderbroken werking gewaarborgd is.

Persleiding

De persleiding dient zodanig uitgevoerd te worden dat de onderkant van de buizenkronkel boven het terugstuwpeil (15 cm boven straatpeil, zie EN 752-1) geplaatst is.

 


[ Home | Producten | Service | Contact | Ons bedrijf | Sitemap | ACO Groep ]

© ACO Passavant NV